Boris Berezovski is leerling van Elisso Wirssaladze, winnaar van de Tsjajkovski-wedstrijd 1991, kamermuziekpartner van goed volk zoals Vadim Repin en, niet onbelangrijk voor ons, pleger van soms onorthodoxe programma’s. Liszt of Brahms kunnen, maar een andere keer splitst hij ons een hele avond Medtner, Godowsky of ander technisch onmogelijks in de maag. Eén constante: onversneden talent met een hoog rock ‘n’ roll gehalte. Hij brengt de mooist naamgegeven, meest miskende cyclus die de pianoliteratuur kent: ‘Ludus tonalis’ van Paul Hindemith (1895-1963). ‘Het tonale spel’ zou ons als lijfspreuk niet misstaan, zij het met de nadruk op spel. Hindemith concipieerde dit indrukwekkende ‘Das wohltemperierte Clavier revisited’ (zie Richard Goode) eind jaren dertig. Dat wil zeggen: de tijd dat hij als rabiate nieuwlichter door het leven wilde en ‘Hin damit!’ werd genoemd, was voorbij. Hij had het tonale systeem opnieuw in de armen gesloten, het vergelijkend met een gravitatieveld waaraan ontsnappen misschien wel kon, maar niet relevant was. Het resultaat: ‘Ludus tonalis’, “een verzameling contrapuntische, tonale, klaviertechnische oefeningen” zoals hij zelf zei. Berezovski kiest als tegenhanger voor de ‘Davidsbündlertänze’ van Schumann (1810-1856), genoemd naar een imaginair artistiek genootschap dat de muzikale filisters - de smakelozen, de epigonen, de pseudocreatievelingen - wilde bestrijden.